Onderverdeling in voedseltypen
Carnivoren
Carnivoren zijn prooidier eters. Het zijn niet enkel en alleen vleeseters.Het verschil zit in het eten van (bijna) het gehele prooidier, waardoor de carnivoor niet alleen spiervlees eet maar ook bot, organen en maaginhoud van het prooidier. Hierdoor krijgt het dier alle voedingsstoffen binnen die het nodig heeft. Daarnaast wil een carnivoor nog wel eens aan grassen, kruiden of besjes eten. Dit is nooit het hoofdvoedsel!
Een carnivoor heeft een andere spijsvertering dan een herbivoor (zie spijsvertering).
Of een carnivoor het hele prooidier eet of delen van het prooidier ligt aan de grote van de carnivoor en de grote van het prooidier. Een klein prooidier zal met botten worden opgegeten (muis, vogeltje, konijn enz.) maar bij een groot prooidier (rund, paard, hert enz.) zijn de dragende botten en andere grote botten te hard en laat de carnivoor dit liggen. Andere delen die niet gegeten worden zijn bijvoorbeeld veren, huid, haren enz.
Er zijn ook dieren die obligaat carnivoor zijn. Dit zijn de meeste katachtige. Een obligaat carnivoor eet enkel en alleen vlees, bot en organen. Deze dieren eten geen maaginhoud en hebben geen tot weinig behoefte aan een toevoeging van andere plantaardige voedingsstoffen. Plantaardige voedingsstoffen zijn wel noodzakelijk om een goede flora en fauna in de dikke darm te waarborgen.
Een carnivoor eet niet de hele dag door. Het kost veel energie om een prooi te vangen en als er dan voedsel is, wordt er zoveel mogelijk gegeten. Het kan immers weer een langere tijd duren voordat er weer gegeten wordt. Carnivoren gebruiken een groot gedeelte van de dag om te rusten en slapen. Ook het verteren van de voeding kost energie.
Het darmstelsel van een carnivoor is relatief kort in verhouding tot zijn lichaam. Het gevolg is dat een carnivoor een zeer efficiënte vertering heeft. Weinig voedsel kan vrijwel volledig gebruikt worden. Het nadeel van een efficiënte vertering is dat afvalproducten of onbruikbare producten in de voeding snel tot verteringsproblemen kunnen leiden. Dit verteringsstelsel stelt dus een goede (genetisch optimale) kwaliteit voeding op prijs.
Herbivoren
Herbivoren zijn planteneters. Zij vangen geen prooi maar, zijn vaak de prooi van carnivoren. Herbivoren hebben een totaal andere spijsvertering dan carnivoren (zie spijsvertering) waardoor zij onder andere de stugge celwand van plantaardige voeding kapot kunnen maken. Herbivoren eten het grootste gedeelte van de dag. Een klein gedeelte van de dag wordt gebruikt om te rusten/slapen. De reden is de inefficiënte manier van verteren. Ze hebben een enorm lang verteringsstelsel ten opzichte van hun lichaam. Planten zijn een laagwaardig soort voedsel als het om efficiënte vertering gaat. Om een kilo energie te verkrijgen, is vaak dertig kilo voer nodig. Het voordeel van planteneters is, dat er een grotere variatie aan vegetatie opgegeten kan worden, zonder dat dit de gezondheid comprimeert. Vaak leven herbivoren in symbiose met bacteriën en microscopische plantjes. Deze fermenteren de plantaardige voedselmassa. De door de microben geproduceerde producten kunnen door de herbivoor weer gebruikt worden. In de lever worden deze producten omgezet tot de noodzakelijke nutriënten.
Omnivoren
Omnivoren zijn, populair gezegd, alles eters. Zij eten zowel prooidieren/vlees als plantaardig voedsel. De spijsvertering is hierop ingesteld. Mensen zijn omnivoren qua spijsvertering. Natuurlijk zijn er vegetariërs en veganisten onder ons, maar toch hebben we dezelfde spijsvertering en gebitten. Wij waren immers jagers en verzamelaars. Ons spijsverteringsstelsel verandert niet nadat we de keuze hebben gemaakt om geen dierlijke producten meer tot ons te nemen. Enkel een evolutionaire druk kan een verandering teweegbrengen in ons spijsverteringskanaal.
De hond en kat zijn carnivoren en refererend aan bovenstaande is het niet zo dat onze hond en kat in de afgelopen zestig jaar zijn geëvolueerd tot een diersoort waarbij de spijsvertering helemaal is aangepast aan het eten van brokvoer, diner, blikvoer, verhitte voeding enz. Het is makkelijk, aangepast aan óns gemak, onze portemonnee, onze denkwijze enzovoort. Onze hond en kat is daar niet aan aangepast zowel anatomisch als fysiologisch, dit kost immers miljoenen jaren.
Voeding is enorm belangrijk!
Het gezegde “Je bent wat je eet” kent iedereen, nu wil ik er één aan toevoegen:
eet wat je bent!
Als u begrijpt wat ik bedoel dan voert u al rauw aan uw hond en/of kat.
Is het u nog onduidelijk ?
Neem dan de tijd om de hele website van CarniVoer te lezen. Het verbreedt en verdiept uw kennis en daardoor ook het begrip van het verteringsstelsel van uw huisdier.
Spijsvertering
Botten:
Botten van dieren bestaan uit een compacta en spongiosa. De compacta is het buitenste deel en bestaat uit dicht stevig materaal. Dit is zo ontstaan om bot weerbaar te maken tegen de buitenwereld. Stevigheid te geven dus. Dragende delen als armen en poten hebben de dikste compacta. Het lichaam wordt erdoor gedragen en fungeert als motor van het lichaam. Kopvechters als runderen hebben zelfs op hun kop dubbele schedelplaten.
Bovenzicht op de kop van een koe. Rechts is het schedelbot verwijderd en kijk je in de voorhoofdsholten. De hersenen zijn nog beschermd door een botplaat.
Dragende delen en schedels zijn in principe goede gebitsreinigers. Ze hebben echter nadelige invloed op het gebit bij langdurig knagen en kauwen. De tanden en kiezen slijten namelijk te snel. Bovendien zijn honden en katten niet in staat de dragende delen te breken, zodat ze bij het voedzame beenmerg kunnen komen.
De spongiosa is het binnenste deel van het bot. Het bestaat uit een zeer fijnmazig labyrint van lamellen. Trabecula genaamd. In sommige beenderen bevinden zich in deze trabecula holten waarin het beenmerg zit. Zoals in het bekken, dijbeen scheenbeen, ribben en borstbeen. Beenmerg is zeer voedzaam. Het bevat naast vele eiwitten, vetten en ijzer ook omega 3 vetzuren.
De normale verhouding in het bloed van calcium t.o.v. fosfor in het bloed is 2:1,5. Deze verhouding moet constant blijven, wil het lichaam goed blijven functioneren. Van belang in een lichaam is dat alles in evenwicht ( homeostase) blijft . Indien een evenwicht uit balans raakt, zal het zelfregulerend mechanisme dus trachten dit evenwicht te stabiliseren.
Bot is het depot van kalk in het lichaam. Als je een tekort aan calcium in je bloed hebt zal het PTH hormoon uit de c-cellen van de schildklier loskomen en ervoor zorgen dat de botafbrekende cellen ( osteoclasten) calcium uit het bot, de bloedbaan in brengen. Ook zal het calcium verlies via de nier beperkt worden en de opname van kalk in de darm toenemen onder invloed van het PTH hormoon.
Als er teveel calcium in het bloed zit, zal het lichaam reageren door het hormoon calcitonine uit de bijschildklier te mobiliseren. Calcitonine zal de overmaat aan calcium in het bloed naar het bot brengen.
Het eten van bot voor de rauw gevoerde honden en katten is dus van wezenlijk belang.
Het is belangrijk dat calcium in zijn genetisch meest optimale vorm aangeboden wordt. Het darmstelsel is evolutionair (nog) niet aangepast om commercieel calcium optimaal te benutten. De vorm die in bot voorkomt heet calciumhydroxyapatiet. In deze vorm is het optimaal verteerbaar en metaboliseerbaar voor de hond. Het calcium in het bot is verbonden met de eiwitten in het bot.
Hoe wordt het calcium in het bot bereikbaar voor de hond?
De hond eet niet dragende delen bot zoals ribben, borstbeen, lendenwervels, kippen- en eendenbotten. Dit bot komt in de maag. De maag van een vleeseter heeft een zuurtegraad ( pH ) van één tot twee. Het zoutzuur wordt afgescheiden door de parietale cellen van de maagwand. Zelf heeft de maagwand een dikke slijmlaag. Zo wordt deze beschermd tegen de in werking van het geproduceerde zoutzuur. Door deze lage zuurtegraad denatureren de eiwitten in het bot en komen deze vrij in de maaginhoud. De hoofdcellen van de maagwand scheiden pepsinogeen af welke door de zure inhoud van de maag omgezet wordt tot pepsine. Pepsine is een eiwitsplitsend enzym. De combinatie van én zuur én pepsine leidt tot het oplossen en verteren van al het boteiwit.
Als het bot eiwitloos is geworden, wordt bot slap en zacht. Calcium is dan niet meer gebonden aan de boteiwitten en komt zo vrij in het maag-darmstelsel. Op deze manier kan het worden opgenomen door het lichaam.
Het is dus van belang dat de maaginhoud zuur is.
Verhitte botten hebben het nadeel dat het eiwit opgelost is door het bakken en /of koken. Hierdoor is het bot broos geworden. Dit bot splintert in alle maten en vormen en kan een gevaar vormen bij het inslikken. Vastzittende botdeeltjes in de keel behoort dan tot de mogelijkheden. Uiteraard heeft verhit bot een lagere voedingswaarde voor de kat en de hond. Het is immers verhit en daardoor beschadigt.
Waarom is verhitten van voedsel een probleem?
Enzymen zijn stoffen ( eiwitten) die onder andere afgescheiden worden in het maag-darmstelsel. Deze stoffen werken bij een optimale pH en temperatuur. Buiten deze pH en temperatuurgrenzen zijn ze minder tot niet werkzaam.
Een enzym heeft een vaste moleculaire structuur en past als een sleutel in een slot op een voedselmolecuul. Als voedsel verhit is, is de moleculaire structuur van voedsel veranderd. “De sleutel past niet meer in het slot”. De vertering kan dus niet meer (optimaal) plaatsvinden. De stof wordt niet meer opgenomen in het bloed en verlaat het lichaam met de ontlasting.

Het voeren van kraakbeen zoals strotten van runderen en schapen levert weinig tot geen calcium op. Kraakbeen bevat wel een ruime hoeveelheid chondroitine, hyaluronzuur en glycosaminoglycanen. Dit zijn stoffen die een toegevoegde waarde voor gewrichten kunnen hebben.

Osmotisch proces.
Groene lijn = semi permeabele membraan
Blauw = watermoleculen
Paars = voedselmoleculen
Rode pijl = bewegingsrichting
Het maag-darmstelsel.
De maag
De maag van de hond en kat is een elastische zak, waarvan de wand bestaat uit enorm veel spierweefsel. De maag kan enorm inkrimpen en enorm uitzetten. Van de ribben tot het bekken is mogelijk, na het eten van een maaltijd.
De reden is de manier van eten van de carnivoor. Een carnivoor (hond en kat ) gaat pas jagen als er een hongerprikkel ontstaat. Op jacht naar een prooi is de kans op succes niet altijd aanwezig. Als er dan een prooi gevangen wordt, word deze gegeten tot er een verzadigingsgevoel ontstaat. Immers het is niet zeker wanneer er weer gegeten kan worden. De maag kan om die reden dus ruim uitzetten voordat er vanuit de maag naar de hersenen een signaal gegeven wordt, dat er een verzadiging is. Er zijn nog meer factoren die verzadiging geven. De maaguitzetting is er één van.
De vertering moet dus uitermate efficiënt zijn. Alle delen van de prooi worden efficiënt verteerd en gemetaboliseerd. Er is dus relatief weinig ontlasting. De evolutie naar een efficiënte vertering is dus om de reden dat een prooi bij een carnivoor kan wegrennen en niet elke jacht succesvol is.
Herbivoren hebben niet hoeven evolueren naar een efficiënte vertering. Gras en overige planten zijn overal aanwezig en daar hoeft niet op gejaagd worden en vertonen tijdens hun opname ook geen verzet. Een prooi doet dit alles wel. De onefficiënte vertering van de herbivoor heeft geëvolueerd in een eetpatroon van acht uur per dag en veel ontlasting. Van elke dertig kilo gras wordt slechts één kilo verteerd en gemetaboliseerd.
Verder bestaat de binnenwand van de maag uit hoofdcellen die zoutzuur produceren. Dit geeft een pH (zuurtegraad) van 1-2. In dit zure milieu denatureren eiwitten en functioneert het pepsine, uitgescheden door de parietale cellen van de maagwand, optimaal. Pepsine is een eiwitsplitsend enzym.
Het zoutzuur en de pH van 1-2 is ook de reden dat bot verteerd. De eiwitten in het bot welke het hydroxyapatiet (calcium) vasthouden lossen op. Daarna wordt het bot zo zacht als rubber en valt uiteindelijk als zeer flexibele stukjes uit elkaar.
De lage pH is ook een intrinsiek immuniteitssysteem. Vrijwel geen bacterie, virus of parasiet kan door de zure maaginhoud heen dringen. Het vormt een natuurlijke bescherming tegen pathogenen ( ziekteverwekkers).
De maagspieren trekken ritmisch samen om de maaginhoud correct te vermengen met de enzymen en zo de vertering optimaal te maken. De maagwand zelf is beschermd door een dunne slijmlaag. Zo zal de maag niet verteerd worden door de eigen productie van zoutzuur en pepsine.

De carnivorenmaag.
De dunne darm
Als het voedsel correct verwerkt is in de maag, zal de pylorus (sluitspier) het voedsel doorlaten naar het duodenum ( twaalfvingerige darm). Daar aangekomen zal de inhoud van een pH 1 naar een pH 7 veranderen. Dit is een spectaculaire stijging onder invloed van natriumbicarbonaat. Dit natriumbicarbonaat wordt uitgescheiden door de alvleesklier. Deze pH stijging is nodig om de enzymen van de alvleesklier te laten werken.
Enzymen hebben een optimale werking binnen optimale pH grenzen en temperatuursgrenzen.
De lever scheidt de gal uit in het duodenum via de galgang. Gal verdeeld vet in kleine druppels. Zo wordt de oppervlakte van het vet vergroot en kunnen de verteringsenzymen er beter bij.
De alvleesklier scheidt onder andere lipase, tryplase en amylase uit. Dit zijn verteringsenzymen.
Lipase verteert vet
Tryplase verteert eiwit
Amylase verteert zetmeel.
Terwijl dit in het duodenum gebeurt, scheidt de wand van het duodenum secretine af. Secretine is een lokaal hormoon wat ervoor zorgt dat de maag stopt met de productie van zoutzuur. Dit is één voorbeeld van de vele, hoe het geheel zeer delicaat op elkaar is afgestemd. Als er dus maar iets in dit gebied fout gaat met de vertering, leidt het tot braken en/of diarree. Het maag-darmstelsel van de hond en kat is namelijk zo kort dat er geen compensatiemogelijkheden zijn. Braken en diarree zijn dus vaak enkel verdedigingsmechanismen om zich te ontdoen van afval in het maag-darmstelsel.
Na het duodenum volgt het jejunum en ileum. Alle drie zijn ze onderdeel van de dunne darm. Inde laatste twee vinden hoofdzakelijk resorptieprocessen plaats.
De resorptie van voeding vindt plaats onder invloed van drie mechanismen:
- Diffusie
- Osmose
- Aktief transport
1 -Diffusie is een natuurkundig proces, waarbij stoffen van een hoge concentratie zich verplaatsen naar een lage concentratie van die stof.
Osmose is een natuurkundig proces waarbij watermoleculen door een semi permeabele membraan stromen. Water gaat dus door de membraan. Alle overige moleculen niet.
Osmotisch proces.
Groene lijn = semi permeabele membraan
Blauw = watermoleculen
Paars = voedselmoleculen
Rode pijl = bewegingsrichting
Actief transport kost energie. Deze mechanismen bevinden zich in cellen en transporteren de voedselmoleculen actief van de ene kant van de cel naar de andere kant van de cel.
Deze drie transportmechanismen worden door alle verteerde voedseldelen gebruikt om van de darm in de bloed- of lymfebanen te komen. Zo kan het gebeuren dat meerdere voedseldelen van eenzelfde transportmechanisme gebruik maken.
Als dit gebeurt is het zo dat een voedselcomponent A een grotere aantrekking heeft op dit transport dan voedselcomponent B . Zo kan een compleet voer dus tot tekorten leiden door de onderlinge competitie van de voedselcomponenten voor de transportmechanismen. Een voorbeeld is de competitie tussen calcium en zink. Compleet voeren leidt tot een tekort van zink. Doordat calcium voorrang krijgt t.o.v. zink. Dus tot een schilferige huid leiden kan. Uiteraard gaat dit niet op korte termijn. Echter wel in drie tot vier jaar.
Compleet voeren moet dus liever gebeuren over een tijdspanne van vier tot zes weken. Zo voorkomt men tekorten in de opname van voeding.
De dunne darm verdeelt in duodenum, jejunum en ileum zijn bedoeld om de voeding te verteren en op te nemen. Gezien de darminhoud buitenwereld is, is darminhoud bevolkt met allerlei bacteriën, virussen en mogelijk schadelijke stoffen. De wand van de darm is daarom enorm van belang om het lichaam hiertegen te beschermen. Allerlei witte bloedcellen en antistoffen bevolken de darmwand. Zo wordt voorkomen dat de darmwand een entreepoort is van ziekteverwekkers.
Als er dus voedsel van mindere kwaliteit gegeten wordt , zal de afweer van de darmwand meer werk te verrichten hebben. Gezien dit veel energie vergt, zal de hond en kat sneller vermoeid raken. Op de langere duur zal dit leiden tot een uitputting van de darmwand-afweer met alle gevolgen van dien.
Ten tweede komt alle opgenomen voeding eerst via de poortader (vena porta) naar de lever. Ook de lever zal veel werk moeten verrichten om alle schadelijke stoffen te filteren en om te zetten in wateroplosbare producten zodat deze via de nier omgezet kunnen worden. Als een lever teveel werk verrichten moet, vergt dit wederom veel energie, met vermoeidheidsklachten bij de hond en kat tot gevolg. Op de langere duur kan dit de lever zelfs beschadigen.
Dikke darm :
De dikke darm is bij carnivoren niet groot. De functie is het resorberen van vocht, afgescheiden door de spijsverteringsklieren en het rauwe voedsel zelf. Zo krijgt ontlasting zijn compacte sigaarvorm. Daarnaast bevat de dikken darm vele probiotica. Dit zijn bifidus en lactobacillen die een enorm gunstige invloed op de gezondheid van uw kat en/of hond hebben.
Enige voordelen die probiotica bieden zijn:
1. Probiotica houden ziekteverwekkers, zoals gisten, schimmels en bacteriën onder controle.
2. Probiotica verteren onverteerde voedselresten.
3. Probiotica verminderen darmkrampen
4. Probiotica produceren vitamine K en enkele B vitaminen.
5. Probiotica houden de pH van de dikke darm op 6
6. Probiotica produceren vetzuren waarvan de cellen van de dikke darm leven.
7. ……………………….
Het is van belang deze probiotica op peil te houden. Dit kan door middel van vuile pens en de rauwe voeding zelf. De probiotica leven van prebiotica. Dit zijn de onverteerde resten voeding zoals groente- en fruitvezels in het darmkanaal. Groente en fruit bevatten pectine, lignine vezels en fructo oligosachariden. Dit is het voedsel (prebiotica) voor de probiotica.
Ongunstige factoren die probiotica doen verdwijnen zijn:
1. Overmaat aan zetmeel, geraffineerde suikers en granen(rijst).
2. Transvetzuren ontstaan door verhitting van vet.
3. Prednisolon kuur
4. Antibioticum kuur
5. Langdurig gebruik van pijnstillers
6. Langdurige stress
Mocht het voorkomen dat uw hond / kat een van deze zaken heeft moeten ondergaan, is een supplementatie van probiotica verstandig. Laat u door een voedingsdeskundige adviseren. Soms kunnen probiotica darmkrampen veroorzaken als uw hond brokvoeding eet. Dit gebeurd vrijwel niet bij rauw gevoerde honden en katten.
Aan het eind van de dikke darm zit de inwendige en uitwendige anaalsfincter. Tussen deze twee ringvormige structuren zitten de beide anaalklieren. Rauwe voeding geeft wat hardere ontlasting, waardoor de anaalklieren geleegd worden. Daarnaast bevat rauwe voeding optimale bestanddelen die het lichaam niet vervuilen dus ook geen overdreven reactie van de anaalklieren uitlokken. De anaalklieren hebben een territoriale functie.
________________________________________________